A Appendix

A.1 Abiotiek

A.1.1 Additionele figuren en tabellen

A.1.1.1 Waterdiepte

Bodemhoogte in functie van waterdiepte per traject. Onderscheid tussen jaren wordt gemaakt adhv verschillende kleuren.

Figuur A.1: Bodemhoogte in functie van waterdiepte per traject. Onderscheid tussen jaren wordt gemaakt adhv verschillende kleuren.

Aangepaste bodemhoogte in functie van waterdiepte per traject. Onderscheid tussen jaren wordt gemaakt adhv verschillende kleuren.

Figuur A.2: Aangepaste bodemhoogte in functie van waterdiepte per traject. Onderscheid tussen jaren wordt gemaakt adhv verschillende kleuren.

A.1.1.2 Substraat

Gemiddelde substraatsamenstelling voor de controle sectie.

Figuur A.3: Gemiddelde substraatsamenstelling voor de controle sectie.

Gemiddelde substraatsamenstelling voor de Bocht van Laren sectie.

Figuur A.4: Gemiddelde substraatsamenstelling voor de Bocht van Laren sectie.

Gemiddelde substraatsamenstelling voor de Schurfert sectie.

Figuur A.5: Gemiddelde substraatsamenstelling voor de Schurfert sectie.

Aandeel losse klei (%) per jaar en sectie.

Figuur A.6: Aandeel losse klei (%) per jaar en sectie.

Aandeel debris (%) per jaar en sectie.

Figuur A.7: Aandeel debris (%) per jaar en sectie.

Variogram van het aandeel debris. Een variogram is een grafiek die wordt gebruikt in de geostatistiek om ruimtelijke variabiliteit te analyseren. Het beschrijft hoe de variabiliteit (of spreiding) tussen waarnemingen verandert naarmate de afstand (x-as: uitgedrukt in meters) tussen de waarnemingen groter wordt. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de secties en jaren. De richtingen in de ruimte (dir.hor) die werden onderzocht waren: in de lengterichting (90 graden), loodrecht op de lengterichting (0 graden) en schuin op de lengterichting (45 graden).

Figuur A.8: Variogram van het aandeel debris. Een variogram is een grafiek die wordt gebruikt in de geostatistiek om ruimtelijke variabiliteit te analyseren. Het beschrijft hoe de variabiliteit (of spreiding) tussen waarnemingen verandert naarmate de afstand (x-as: uitgedrukt in meters) tussen de waarnemingen groter wordt. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de secties en jaren. De richtingen in de ruimte (dir.hor) die werden onderzocht waren: in de lengterichting (90 graden), loodrecht op de lengterichting (0 graden) en schuin op de lengterichting (45 graden).

Aandeel slib (%) per jaar en sectie.

Figuur A.9: Aandeel slib (%) per jaar en sectie.

Aandeel klei (%) per jaar en sectie.

Figuur A.10: Aandeel klei (%) per jaar en sectie.

Aandeel fijne zandsteen (%) per jaar en sectie.

Figuur A.11: Aandeel fijne zandsteen (%) per jaar en sectie.

Variogram van het aandeel fijne zandsteen. Een variogram is een grafiek die wordt gebruikt in de geostatistiek om ruimtelijke variabiliteit te analyseren. Het beschrijft hoe de variabiliteit (of spreiding) tussen waarnemingen verandert naarmate de afstand (x-as: uitgedrukt in meters) tussen de waarnemingen groter wordt. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de secties en jaren. De richtingen in de ruimte (dir.hor) die werden onderzocht waren: in de lengterichting (90 graden), loodrecht op de lengterichting (0 graden) en schuin op de lengterichting (45 graden).

Figuur A.12: Variogram van het aandeel fijne zandsteen. Een variogram is een grafiek die wordt gebruikt in de geostatistiek om ruimtelijke variabiliteit te analyseren. Het beschrijft hoe de variabiliteit (of spreiding) tussen waarnemingen verandert naarmate de afstand (x-as: uitgedrukt in meters) tussen de waarnemingen groter wordt. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de secties en jaren. De richtingen in de ruimte (dir.hor) die werden onderzocht waren: in de lengterichting (90 graden), loodrecht op de lengterichting (0 graden) en schuin op de lengterichting (45 graden).

Aandeel grove zandsteen (%) per jaar en sectie.

Figuur A.13: Aandeel grove zandsteen (%) per jaar en sectie.

Variogram van het aandeel grove zandsteen. Een variogram is een grafiek die wordt gebruikt in de geostatistiek om ruimtelijke variabiliteit te analyseren. Het beschrijft hoe de variabiliteit (of spreiding) tussen waarnemingen verandert naarmate de afstand (x-as: uitgedrukt in meters) tussen de waarnemingen groter wordt. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de secties en jaren. De richtingen in de ruimte (dir.hor) die werden onderzocht waren: in de lengterichting (0 graden), loodrecht op de lengterichting (90 graden) en schuin op de lengterichting (45 graden).

Figuur A.14: Variogram van het aandeel grove zandsteen. Een variogram is een grafiek die wordt gebruikt in de geostatistiek om ruimtelijke variabiliteit te analyseren. Het beschrijft hoe de variabiliteit (of spreiding) tussen waarnemingen verandert naarmate de afstand (x-as: uitgedrukt in meters) tussen de waarnemingen groter wordt. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de secties en jaren. De richtingen in de ruimte (dir.hor) die werden onderzocht waren: in de lengterichting (0 graden), loodrecht op de lengterichting (90 graden) en schuin op de lengterichting (45 graden).

Aandeel steen (%) per jaar en sectie.

Figuur A.15: Aandeel steen (%) per jaar en sectie.

Aandeel fijn grind (%) per jaar en sectie.

Figuur A.16: Aandeel fijn grind (%) per jaar en sectie.

A.1.2 Ruimtelijke voorstelling habitat

A.1.2.1 Waterplanten

Ruimtelijke verdeling van het aandeel waterplanten in Schurfert.

Figuur A.17: Ruimtelijke verdeling van het aandeel waterplanten in Schurfert.

Ruimtelijke verdeling van het aandeel waterplanten in Bocht van Laren.

Figuur A.18: Ruimtelijke verdeling van het aandeel waterplanten in Bocht van Laren.

Ruimtelijke verdeling van het aandeel waterplanten in Controle.

Figuur A.19: Ruimtelijke verdeling van het aandeel waterplanten in Controle.

A.1.2.2 Waterplanten (emers)

Ruimtelijke verdeling van het aandeel emerse planten in Schurfert.

Figuur A.20: Ruimtelijke verdeling van het aandeel emerse planten in Schurfert.

Ruimtelijke verdeling van het aandeel emerse planten in Bocht van Laren.

Figuur A.21: Ruimtelijke verdeling van het aandeel emerse planten in Bocht van Laren.

Ruimtelijke verdeling van het aandeel emerse planten in Controle.

Figuur A.22: Ruimtelijke verdeling van het aandeel emerse planten in Controle.

A.1.2.3 Bodemhoogte (m)

Ruimtelijke verdeling van de bodemhoogte in Schurfert.

Figuur A.23: Ruimtelijke verdeling van de bodemhoogte in Schurfert.

Ruimtelijke verdeling van de bodemhoogte in Bocht van Laren.

Figuur A.24: Ruimtelijke verdeling van de bodemhoogte in Bocht van Laren.

Ruimtelijke verdeling van de bodemhoogte in Controle.

Figuur A.25: Ruimtelijke verdeling van de bodemhoogte in Controle.

Ruimtelijke verdeling van de verandering in bodemhoogte in Schurfert van 2024 versus 2019.

Figuur A.26: Ruimtelijke verdeling van de verandering in bodemhoogte in Schurfert van 2024 versus 2019.

Ruimtelijke verdeling van de verandering in bodemhoogte in Bocht van Laren van 2024 versus 2019.

Figuur A.27: Ruimtelijke verdeling van de verandering in bodemhoogte in Bocht van Laren van 2024 versus 2019.

Ruimtelijke verdeling van de verandering in bodemhoogte in Controle van 2024 versus 2019.

Figuur A.28: Ruimtelijke verdeling van de verandering in bodemhoogte in Controle van 2024 versus 2019.

A.1.2.4 Waterdiepte (cm)

Ruimtelijke verdeling van de waterdiepte in Schurfert.

Figuur A.29: Ruimtelijke verdeling van de waterdiepte in Schurfert.

Ruimtelijke verdeling van de waterdiepte in Bocht van Laren.

Figuur A.30: Ruimtelijke verdeling van de waterdiepte in Bocht van Laren.

Ruimtelijke verdeling van de waterdiepte in Controle.

Figuur A.31: Ruimtelijke verdeling van de waterdiepte in Controle.

A.1.2.5 Stroomsnelheid

Ruimtelijke verdeling van de stroomsnelheid in Schurfert.

Figuur A.32: Ruimtelijke verdeling van de stroomsnelheid in Schurfert.

Ruimtelijke verdeling van de stroomsnelheid in Bocht van Laren.

Figuur A.33: Ruimtelijke verdeling van de stroomsnelheid in Bocht van Laren.

Ruimtelijke verdeling van de stroomsnelheid in Controle.

Figuur A.34: Ruimtelijke verdeling van de stroomsnelheid in Controle.

A.1.2.6 Substraat

A.1.2.7 Slib

Ruimtelijke verdeling van het aandeel slib in Schurfert.

Figuur A.35: Ruimtelijke verdeling van het aandeel slib in Schurfert.

Ruimtelijke verdeling van het aandeel slib in Bocht van Laren.

Figuur A.36: Ruimtelijke verdeling van het aandeel slib in Bocht van Laren.

Ruimtelijke verdeling van het aandeel slib in Controle.

Figuur A.37: Ruimtelijke verdeling van het aandeel slib in Controle.

A.2 Biotiek

A.2.1 Visgemeenschap

A.2.1.1 Soortensamenstelling na rivierherstelmaatregelen en sanering knelpunten

Tabel A.1: Tabel A.2: Soortensamenstelling en populatie-inschatting per vissoort in de twee secties ‘Schurfert en Bocht van Laren’ samen vóór (T-1) en na (T2) uitvoering van de rivierherstelmaatregelen.
aantal
gewicht
N
gewichtN
soort 2016 2019 2024 2016 2019 2024 2016 2019 2024 2016 2019 2024
alver 0 0 4 0 0 16 0 0 4 0 0 16
amerikaanse hondsvis 47 0 191 88 0 821 90 0 466 158 0 1648
baars 34 0 0 359 0 0 35 0 0 362 0 0
bermpje 1144 471 158 2728 929 371 1604 720 217 3843 1406 515
bittervoorn 0 1 3 0 2 5 0 1 3 0 2 5
blankvoorn 305 1 53 594 112 1818 312 1 54 606 112 1855
blauwbandgrondel 380 109 55 552 151 79 442 114 58 614 159 82
bruine amerikaanse dwergmeerval 1 2 0 20 336 0 1 2 0 20 336 0
driedoornige stekelbaars 17 21 2 18 5 1 17 22 2 18 5 1
giebel 85 27 0 3266 1220 0 86 29 0 3279 1344 0
kolblei 0 0 1 0 0 22 0 0 1 0 0 22
kopvoorn 10 15 39 420 1285 4630 10 15 39 420 1285 4630
kwabaal 0 0 5 0 0 1050 0 0 5 0 0 1050
meerval 0 0 1 0 0 90 0 0 1 0 0 90
paling 27 12 6 6188 3361 1976 27 12 6 6188 3361 1976
rietvoorn 3 9 9 10 143 296 3 9 9 10 143 296
riviergrondel 1922 866 869 9913 3762 6811 2713 1637 1109 13475 6996 8689
serpeling 0 0 1 0 0 104 0 0 1 0 0 104
snoek 6 1 16 1189 4 970 6 1 16 1189 4 970
spiegelkarper 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
tiendoornige stekelbaars 26 1 3 7 1 1 26 1 3 7 1 1
vetje 0 3 8 0 2 9 0 3 8 0 2 9
winde 0 0 2 0 0 344 0 0 2 0 0 344
zonnebaars 266 3 21 1596 51 251 280 3 21 1665 51 251
totaal 4273 1542 1447 26948 11364 19665 5652 2570 2025 31854 15207 22554
Tabel A.3: Tabel A.4: Soortensamenstelling en populatie-inschatting per vissoort in de controle-sectie (waarin geen rivierherstelmaatregelen werden uitgevoerd) tijdens de T-1 en de T2 meting.
aantal
gewicht
N
gewichtN
soort 2016 2019 2024 2016 2019 2024 2016 2019 2024 2016 2019 2024
alver 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
amerikaanse hondsvis 1 1 376 10 4 1478 1 1 979 10 4 3779
baars 12 0 0 183 0 0 13 0 0 210 0 0
bermpje 62 131 48 167 281 179 65 248 63 177 530 242
bittervoorn 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
blankvoorn 79 0 20 147 0 813 91 0 20 169 0 813
blauwbandgrondel 25 43 6 48 83 12 26 58 6 49 112 12
bruine amerikaanse dwergmeerval 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
driedoornige stekelbaars 2 3 0 2 0 0 2 3 0 2 0 0
giebel 23 3 0 1184 74 0 23 3 0 1184 74 0
kolblei 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
kopvoorn 0 13 9 0 1412 1436 0 14 9 0 1489 1436
kwabaal 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
meerval 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
paling 6 5 6 2317 1621 1742 6 5 6 2317 1621 1742
rietvoorn 2 3 4 6 50 18 2 3 4 6 50 18
riviergrondel 232 202 253 2002 1240 2408 280 296 427 2413 1821 4079
serpeling 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
snoek 2 1 11 584 52 624 2 1 11 584 52 624
spiegelkarper 0 0 1 0 0 1665 0 0 1 0 0 1665
tiendoornige stekelbaars 2 0 6 2 0 2 2 0 7 2 0 2
vetje 0 6 0 0 7 0 0 6 0 0 7 0
winde 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
zonnebaars 7 1 6 36 18 49 7 1 6 36 18 49
totaal 455 412 746 6688 4842 10426 520 639 1539 7159 5778 14461
Tabel A.5: Tabel A.6: Soortensamenstelling en populatie-inschatting per vissoort ter hoogte van de Gestelse Molen en Stuw Bervoets samen vóór (T-1) en na (T2) uitvoering van de rivierherstelmaatregelen.
aantal
gewicht
N
gewichtN
soort 2016 2019 2024 2016 2019 2024 2016 2019 2024 2016 2019 2024
alver 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
amerikaanse hondsvis 0 2 11 0 17 126 0 2 11 0 17 126
baars 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
bermpje 834 402 277 2627 976 683 954 582 370 3026 1416 875
bittervoorn 0 9 4 0 20 10 0 10 4 0 22 10
blankvoorn 0 24 15 0 45 640 0 39 15 0 67 640
blauwbandgrondel 188 68 159 234 125 321 211 104 173 263 178 351
bruine amerikaanse dwergmeerval 9 0 0 336 0 0 9 0 0 336 0 0
driedoornige stekelbaars 131 576 224 74 226 117 159 5230 764 85 1883 383
giebel 125 14 6 658 1011 124 126 14 6 663 1011 124
kolblei 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
kopvoorn 0 13 97 0 475 7680 0 13 97 0 475 7680
kwabaal 0 0 5 0 0 1208 0 0 5 0 0 1208
meerval 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
paling 7 0 9 3338 0 3368 7 0 10 3338 0 3812
rietvoorn 0 0 6 0 0 89 0 0 6 0 0 89
riviergrondel 555 329 1315 2897 2370 10538 619 435 1510 3209 2961 12335
serpeling 0 0 1 0 0 8 0 0 1 0 0 8
snoek 0 0 6 0 0 3284 0 0 6 0 0 3284
spiegelkarper 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
tiendoornige stekelbaars 41 39 3 32 17 2 42 79 3 32 34 2
vetje 2 2 3 3 4 3 2 2 3 3 4 3
winde 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
zonnebaars 125 2 18 395 39 270 137 2 18 433 39 270
totaal 2017 1480 2159 10594 5325 28471 2266 6512 3002 11388 8107 31200
Procentuele verdeling van de aantallen, biomassa en geschatte populatiegrootte (N) per vissoort in de verschillende secties voor de verschillende jaren (rest = overige vissoorten).

Figuur A.38: Procentuele verdeling van de aantallen, biomassa en geschatte populatiegrootte (N) per vissoort in de verschillende secties voor de verschillende jaren (rest = overige vissoorten).

A.2.1.2 Lengteverdeling

Relatie tussen gewicht en lengte per vissoort.

Figuur A.39: Relatie tussen gewicht en lengte per vissoort.

Lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten

Figuur A.40: Lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten

Lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten

Figuur A.41: Lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten

Lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten

Figuur A.42: Lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten

Cumulatieve lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten in Schurfert.

Figuur A.43: Cumulatieve lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten in Schurfert.

Cumulatieve lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten in Bocht van Laren.

Figuur A.44: Cumulatieve lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten in Bocht van Laren.

Cumulatieve lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten in Controle.

Figuur A.45: Cumulatieve lengteverdeling voor de verschillende gevangen soorten in Controle.

A.2.2 Gemeenschapsstructuur

Principale Coördinaten Analyse (PCoA) van de visgemeenschapsstructuur in 2016.

Figuur A.46: Principale Coördinaten Analyse (PCoA) van de visgemeenschapsstructuur in 2016.

Principale Coördinaten Analyse (PCoA) van de visgemeenschapsstructuur in 2019.

Figuur A.47: Principale Coördinaten Analyse (PCoA) van de visgemeenschapsstructuur in 2019.

Principale Coördinaten Analyse (PCoA) van de visgemeenschapsstructuur in 2024.

Figuur A.48: Principale Coördinaten Analyse (PCoA) van de visgemeenschapsstructuur in 2024.

A.3 Protocol habitatbeschrijving

A.3.1 Onderwerp

A.3.1.1 Definities en afkortingen

A.3.1.2 Doelstelling en toepassingsgebied

Doelstelling: Beschrijven van de fysische toestand van een waterloop op een representatieve wijze door gebruik te maken van nieuwe of bestaande, stationaire transecten. De fysische toestand wordt beschreven adhv:

  • stroomsnelheid
  • waterdiepte
  • substraat
  • cover

Toepassingsgebied: Waadbare waterlopen waarbij op regelmatige basis verschillende fysische parameters bemonsterd moeten worden.

A.3.2 Beperkingen van het protocol

Begaanbaar:

  • De te bemonsteren waterloop dient over de volledige lengte en breedte begaanbaar te zijn.
  • Metingen zullen gebeuren bij droog-weer-omstandigheden waarbij geen significante debietsschommelingen optreden

A.3.3 Principe

De metingen dienen representatief te zijn voor de fysische toestand van de waterloop. Daarom worden het aantal metingen en de proefopzetverdeling eenduidig vastgelegd volgens een duidelijk bemonsteringsschema.

A.3.4 Vereiste competenties

De basisvaardigheden voor het uitvoeren van dit protocol zijn:

  • het kunnen gebruiken van een Trimble GPS-toestel
  • het kunnen herkennen en identificeren van verschillende substraatsamenstellingen
  • het kunnen gebruiken van stroomsnelheidsmeters.

A.3.5 Benodigdheden

A.3.5.1 Apparatuur

  • stroomsnelheidsmeter
  • Trimble
  • peilstok voor diepte

A.3.5.2 Materiaal

  • lintmeter
  • waadpak
  • touw
  • witte verf

A.3.6 Werkwijze

A.3.6.1 Uitvoering

A.3.6.1.1 Installeren van nieuwe transecten of het lokaliseren van bestaande transecten
A.3.6.1.1.1 Installeren van nieuwe transecten

Riviersectie van 600 meter = sectie

Om voldoende representatief te zijn dient een riviersectie 600 meter te zijn.

Concreet: Een startpunt van de sectie wordt geselecteerd en GPS coördinaten worden opgeslagen.

Sub-riviersectie van 50 meter = traject

Een sectie wordt ingedeeld in trajecten van 50 meter elk, waarbij afwisselend een traject wordt opgemeten aan de hand van cellen (zie verder) en een traject wordt overgeslagen. Uiteindelijk worden er per sectie van 600 meter zes trajecten van 50 meter opgemeten die niet aan elkaar grenzen.

Concreet: Er wordt gestart aan het beginpunt van de sectie en men stapt de rivier af richting eindpunt (ie 600 meter verder). Elk 50 meter begrenst men een nieuw traject en de GPS coördinaten worden opgeslagen.

Sub-sub-riviersectie van 3,33 meter = transect

Om een gedetailleerd beeld te krijgen van de vorm van de rivier wordt het 50 m traject opgedeeld in transecten van 3,33 m. Per 50 m traject worden bijgevolg 15 transecten gecreëerd. Vooraleer een nieuw transect wordt begrensd, dient het vorige transect afgewerkt te zijn. In tegenstelling tot de secties en trajecten worden de transecten daarom niet op voorhand begrensd. Het bepalen van de transecten wordt daarom besproken onder de sectie cellen en meetpunten die handelt over de eigenlijke metingen.

A.3.6.1.1.2 Lokaliseren van bestaande transecten

Om een goede vergelijking doorheen de tijd te bewerkstelligen dienen dezelfde meetpunten bemonsterd te worden. Het is onmogelijk om exact dezelfde locaties terug te vinden maar het is belangrijk om dit zoveel mogelijk na te streven.

Concreet: Eerst wordt de meest stroomafwaartse grens van de meest stroomafwaartse sectie bepaald mbv opgeslagen coördinaten. De grenzen van het meest stroomafwaarts gelegen traject worden bepaald. De grenzen van de volgende trajecten van de betreffende sectie worden bepaald. Dit wordt herhaald voor de andere secties. Na het begrenzen van alle trajecten van alle secties, keert men terug naar het eerste traject van de eerste sectie en begint men met het begrenzen van de cellen (zie volgende).

A.3.6.1.2 Cellen en meetpunten

Zoals eerder aangegeven bevindt er zich binnen een traject om de 3,33 meter een nieuw transect dat wordt bepaald nadat het vorige transect volledig is afgewerkt.

Concreet: Het begin van het transect wordt gekozen op het beginpunt van het traject en het einde van het transect bevindt zich 3,33 meter verder in de lengterichting van de rivier stroomopwaarts. Een denkbeeldige lijn, loodrecht op de lengterichting van de rivier, wordt getrokken van de rechteroever naar de linkeroever. Deze denkbeeldige lijn wordt opgedeeld in 5 delen of cellen van gelijke breedte (variabel in die mate dat de rivierbreedte variabel is). Dit is het eerste transect. Het volgende transect zal beginnen op het einde van het vorige transect. Elk transect heeft dus 5 cellen met een lengte van 3,33 meter en gelijke breedte. Door deze werkwijze ontstaat een virtueel raster van cellen waarbinnen alle metingen gebeuren.

  • GPS coördinaten worden genomen in het centrum van iedere cel (=meetpunt). Kies voor een duidelijke labeling van de coördinaten met een volgnummer die overeenkomt met de stroomopwaartse linkeroever-naar-rechteroever beweging van de monitoring. Noteer het gebruikte coördinatenreferentiesysteem (EPSG).

    Voorbeeld invullen coördinaten. EPSG is 31370 in dit voorbeeld.
    traject trimblecode X Y beschrijving
    schurfert1 1 203752.077 186898.040 linkeroever
    schurfert1 2 203752.531 186899.161 midden
    schurfert1 3 203753.093 186900.469 midden
    schurfert1 4 203755.065 186901.521 midden
    schurfert1 5 203758.073 186903.435 rechteroever
    schurfert1 6 203753.482 186899.213 linkeroever
  • De stroomsnelheid en diepte worden opgemeten in het centrum van iedere cel (=meetpunt).

  • Het habitat (uitgedrukt als een percentage van verschillende klassen) wordt opgemeten voor de volledige cel.

Meetmethode voor 1 transect

Figuur A.49: Meetmethode voor 1 transect

Cellenraster waarbinnen de veldmetingen gebeuren (links), zoals bijvoorbeeld het opmeten van de stroomsnelheid met behulp van een stroomsnelheidsmeter (rechts).Cellenraster waarbinnen de veldmetingen gebeuren (links), zoals bijvoorbeeld het opmeten van de stroomsnelheid met behulp van een stroomsnelheidsmeter (rechts).

Figuur A.50: Cellenraster waarbinnen de veldmetingen gebeuren (links), zoals bijvoorbeeld het opmeten van de stroomsnelheid met behulp van een stroomsnelheidsmeter (rechts).

A.3.6.1.3 Op te meten variabelen
A.3.6.1.3.1 Overzicht variabelen
Tabel A.7: Habitatvariabelen die binnen elke cel in het studiegebied worden opgemeten. Submerse vegetatie is ondergedompelde vegetatie; oevervegetatie is vegetatie die over een breedte van minstens 25cm in het water hangt; houtig of stening verwijst naar de aanwezigheid van dood hout of grote stenen; holle oevers zijn holtes in de oever onder water waar men de voet minstens tot de wreef in kan stoppen. Dense vegetatie (compact plantenmateriaal, waar je de bodem niet doorheen ziet) beïnvloedt aanzienlijk de stroomsnelheid. Daarom is de stroomsnelheid tweemaal opgemeten in cellen met dense vegetatie, een eerste maal op 10 cm boven de bodem en een tweede maal 10 cm boven de vegetatie.
Variabelen Indeling Eenheid Locatie Methode
Stroom- snelheid Bodem m/s Celmidden. 10 cm boven de bodem Marsh‐McBirney FloMate, model 2000, Nauwkeurigheid: 0,01 m/s
Stroom- snelheid Vegetatie m/s Celmidden. 10 cm boven de vegetatie Marsh‐McBirney FloMate, model 2000, Nauwkeurigheid: 0,01 m/s
Diepte Waterkolom m Celmidden Ijzeren pijlstok. Nauwkeurigheid 0,01m
Breedte rivier m Thv. celmidden Lintmeter; nauw-keurigheid 0.01 m
Cover Submerse en moerasvegetatie % Volledige cel visueel
Cover Oevervegetatie % Op beide oevers visueel
Cover Houtig of stenig % Op beide oevers visueel
Cover Houtig of stenig % Volledige cel visueel
Cover Holle oever % Beide oevers visueel
Substraat- samenstelling slib % Volledige cel visueel
Substraat- samenstelling zand % Volledige cel visueel
Substraat- samenstelling klei % Volledige cel visueel
Substraat- samenstelling fijn zandsteen % Volledige cel visueel
Substraat- samenstelling grof zandsteen % Volledige cel visueel
Substraat- samenstelling steen % Volledige cel visueel
Substraat- samenstelling fijn grind % Volledige cel visueel
A.3.6.1.3.2 Template field sheets
Tabel A.8: In te vullen field sheet per cel.
Variabele Beschrijving Format
Datum datum van meting d/m/y
Deelgebied deel van 600 meter = sectie naam
Traject deel van 50 meter 1 tot 6
Transect deel van 3.33 meter 1 tot 15
Cel onderdeel van transect 1 tot 5
Stroomsnelheid in elk celmidden in m/s
Diepte in elk celmidden in m
Trimblecode representatieve code GPS lambert Belgium; epsg 31370
Cover Holle oever aandeel oeverlengte; enkel voor cel 1 en 5 %
Cover Waterplant pak %
Cover Waterplant dun %
Cover Waterplant emers %
Cover Stenen %
Cover Hout %
Cover Ander %
Cover Riparian houtig %
Cover Riparian grazig %
Beschaduwing %
losse klei substraat substraat samen 100 % %
debris substraat substraat samen 100 % %
slib substraat substraat samen 100 % %
zand substraat substraat samen 100 % %
klei substraat substraat samen 100 % %
fijn zandsteen substraat substraat samen 100 % %
grof zandsteen substraat substraat samen 100 % %
steen substraat substraat samen 100 % %
fijn grind substraat samen 100 % %
A.3.6.1.3.3 Stroomsnelheid

Stroomsnelheid wordt gemeten op volgende dieptes telkens in het midden van de cel:

  • 10 cm boven bodem (V1)
  • 10 cm boven dik pakket submerse waterplanten (V2): hou het voetje van stroomsnelheidsmeter net boven de waterplanten
Meten van de stroomsnelheid.

Figuur A.51: Meten van de stroomsnelheid.

A.3.6.1.3.4 Diepte

Diepte wordt gemeten op volgende wijzen:

  • Van bodem tot wateroppervlakte (D1)
  • Van de top van het dik pakket submerse waterplanten tot wateroppervlakte (D2)

Opmerking: als diepte <10 cm dan wordt diepte genoteerd als: /

Meten van de diepte.

Figuur A.52: Meten van de diepte.

A.3.6.1.3.5 Rivierbreedte

De rivierbreedte van een bepaald traject wordt telkens gemeten thv de celmiddens.

A.3.6.1.3.6 Cover

Onder cover verstaan we alles waaronder, waarop en waartussen een vis beschutting vindt. Alle cover moet vanuit het standpunt van de vis bekeken worden; onderscheid houtig grazig is bv enkel belangrijk ifv de schuilmogelijkheden voor vis.

Cover Specificatie Te meten
Holle oever %L
Waterplant A pak %Opp
Waterplant B dun %Opp
Waterplant C em %Opp
Stenen %Opp
Hout %Opp
Ander %Opp
Riparian Houtig %Opp
Riparian Grazig %L
A.3.6.1.3.7 Holle-oever

Het percentage aandeel lengte holle oever langs beide oevers (ie rechterover cel 1 en linkeroever cel 5) wordt bepaald voor de hele lengte (3,33) van de desbetreffende cel. We spreken pas van een holle oever wanneer je je voet zeker tot aan je wreef/enkels kunt wegmoffelen (dus niet enkel tenen).

Meten van de lengte van de holle oever

Figuur A.53: Meten van de lengte van de holle oever

A.3.6.1.3.8 Waterplanten

Voor elk type wordt het procentueel aandeel bepaald (x: niet helemaal duidelijk voor mij hoe percentages hier werken)

  • Type dik (A):
    • dik pakket

    • veel cover onder en/of tussen

  • Type dun (B):
    • dun of weinig dens

    • weinig cover

  • Type emers (C):
    • emerse vetatie
    • planten die wortelen in bodem en boven wateroppervlak uitsteken (bv. riet)
Meten van de cover van de waterplanten pak

Figuur A.54: Meten van de cover van de waterplanten pak

Meten van de cover van de waterplanten dun

Figuur A.55: Meten van de cover van de waterplanten dun

Meten van de cover van de waterplanten emerse

Figuur A.56: Meten van de cover van de waterplanten emerse

A.3.6.1.3.9 Individuele items

We maken een onderscheid tussen: (x: opnieuw aandeel tov wat?)

Cover Stenen

Grote stenen waarachter (waaronder) vissen beschutting kunnen vinden

Meten van de steen cover

Figuur A.57: Meten van de steen cover

Cover Hout

Grof hout = Coarse woody debris

Meten van de hout cover

Figuur A.58: Meten van de hout cover

Cover Ander

Ander materiaal dan stenen of hout

Meten van de ander cover

Figuur A.59: Meten van de ander cover

A.3.6.1.3.10 Cover inhangend

Ook beschreven als riparian cover. alles wat meer dan 5cm in water hangt; bij onderscheid grazig/houtig is vooral de structuur voor de vis belangrijk: houtige cover vormt een grote waaier over het water (ahw. een houtige holle oever), terwijl grazige cover de oever beperkt verlengt (een tiental cm). Een inhangend dik pak bramen die een halve meter in het water hangt, valt dus onder houtig, terwijl een paar klimopranken die tien cm in het water hangen, onder grazige cover te catalogeren zijn

Cover houtig

Meten van de houtige inhangende cover

Figuur A.60: Meten van de houtige inhangende cover

Cover grazig

Meten van de grazige inhangende cover

Figuur A.61: Meten van de grazige inhangende cover

A.3.6.1.3.11 Cover overhangend
Meten van de overhangende cover

Figuur A.62: Meten van de overhangende cover

A.3.6.1.3.12 Substraat

Alles wat plat op de bodem ligt; wat dus door een vis kan gebruikt worden voor eiafzet/ om voedsel tussen te zoeken/… maar waar een vis zich niet kan in verschuilen, tenzij hij zich ingraaft. Substraat onzichtbaar? Snorkelen/Core of Van Veen sample nemen; vanaf een diepte van meer dan 1 m wordt substraatbepaling vaak moeilijk. Anderzijds zal het substraat bij hogere dieptes meestal slib/leem zijn en bovendien ook vrij homogeen (grotere diepte => lagere stroomsnelheid => homogener substraat) => minder samples nodig:

Substraat Specificaties Te meten
slib Ø < 4 µm %Opp
zand 63 µm < Ø < 2 mm %Opp
klei Ø < 4 µm %Opp
fijn zandsteen %Opp
grof zandsteen %Opp
steen 32 mm < Ø %Opp
fijn grind 2 mm < Ø < 8 mm %Opp

A.3.7 Kwaliteitszorg

  • Alle velden van de field sheets dienen ingevuld te worden behalve wanneer een percentage wordt gevraagd en de betreffende klasse niet aanwezig zijn. In dat geval kan de cel leeggelaten worden aangezien dit wordt beschouwd als een 0 waarde.
  • Consequente labeling voor verzameling abiotische en biotische data en coördinateninvoer is belangrijk om resultaten te linken.

A.4 Protocol afvissingen

A.4.1 Benodigdheden

  • Benodigdheden afzetten trajecten

    • Bloknetten

    • Betonijzers of lange piketten / bamboestokken

  • Benodigdheden elektrisch vissen

  • Benodigdheden opmeten vissen (lengte en gewicht)

  • Field sheets

  • 4 X 4 wagen omdat de toegankelijkheid van sommige trajecten

A.4.2 Werkwijze

De visdensiteit wordt bepaald volgens de depletiemethode. Die methode voorspelt hoeveel vissen er werkelijk in het traject voorkomen, ze houdt rekening met de vissen die niet werden gevangen. De densiteit, evenals het 95% betrouwbaarheidsinterval van de densiteit, wordt uitgedrukt in aantal per hectaren. De trajecten waarin de visdensiteit wordt bepaald zijn hieronder weergegeven. Tijdens de bevissingen worden de trajecten afgezet met bloknetten die worden vastgezet m.b.v. betonijzers of lange piketten / bamboestokken. Dezelfde zes 50 m trajecten waarvan het fysisch habitat wordt opgemeten worden bevist volgens de depletiemethode (3 x). Dit betekent dat er in de Zwarte Beek als volgt wordt bevist:

  • Zes 50 m trajecten in deelgebied ‘schurfert’ volgens depletie = 300 m (x3)

  • Zes 50 m trajecten in ‘controle’ volgens depletie = 300 m (x3)

  • Zes 50 m trajecten in deelgebied ‘bocht van laren’ volgens depletie = 300 m (x3)

Omdat iedere sectie 600 meter is en er in totaal slechts 300 meter wordt afgevist verdeeld over 6 trajecten, zal er telkens 50 meter tussen elk traject zitten. De begin- (stroomafwaarts) en eindcoördinaten (stroomopwaarts) van de grenzen zijn voorhanden (https://rpubs.com/spbruneel-INBO/maps_zwarte_beek: groen: habitat 2019) en worden gebruikt om elk traject af te lijnen en af te zetten met bloknetten. Daarna vindt het elektrisch vissen plaats van begin naar eind en dit 3-maal. De file Template_vis.xlsx wordt ingevuld en krijgt de naam sectie trajectnummer.xlsx. Per traject wordt er dus 1 file ingevuld. Sectie is “bocht van laren”, “controle”, “schurfert”, en trajectnummer gaat van 1 tot 6. Voor elke van de 3 afvissingen wordt een nieuw tabblad ingevuld. Zorg ervoor dat de template niet overschreven wordt maar creëer telkens een nieuwe file. De kolommen die ingevuld moeten worden zijn:

  • datum in %d/%m/%y

  • vissoort (Nederlandstalige naam)

  • aantal (eenheidsloos)

  • lengte (mm)

  • gewicht (gram)

  • opmerkingen

Door de hermeandering bleek het in het veld niet altijd mogelijk om alle delen van een traject elektrisch te bevissen. Ondoorwaadbare diepe kuilen konden niet elektrisch bevist worden en daarom werden er, vanaf 2024, per traject ook telkens twee schietfuiken van 45 cm hoogte geplaatst. Deze werden telkens geplaatst na het elektrisch afvissen (rond 13h) en de volgende ochtend bij aankomst (rond 9h) uit het water gehaald. Soortnaam, lengte en gewicht van de fuikvangsten werd bepaald en een onderscheid werd gemaakt tussen de stroomafwaartse en stroomopwaartse fuik. Een beschrijving van de locatie waar de fuik werd geplaatst, werd voorzien.

De fuiken komen in bepaalde mate tegemoet aan de verlaagde vangstefficiëntie in de hermeanderde trajecten, maar blijven echter onvoldoende om de vangstbias (i.e. trajecten met meer diepe kuilen worden minder goed bevist) weg te werken. Daarenboven, is er een merkbaar verschil in de vangsten van verschillende personen wat wellicht het gevolg is van een verschil in ervaring en techniek. Het wordt daarom aangeraden om dezelfde rollen toe te kennen aan dezelfde personen bij het afvissen of om op zijn minst de rolverdeling voor de volgorde van afvissingen constant te houden (bv. persoon A vist (i.e. hanteert de spoel) altijd eerst, persoon B altijd als tweede en persoon altijd als laatste). Daarnaast wordt aangeraden om telkens neer te schrijven bij de opmerkingen wie de visser van dienst was.

Er wordt aangeraden dat de vissers zich eerst een beeld scheppen van de verschillende kuilen in het af te vissen traject. Plotse kuilen en moeilijk begaanbare stukken verlagen de vangstefficiëntie aanzienlijk waardoor de tweede afvissing onverwacht hoge vangsten oplevert.

Samengevat veroorzaken verschillende zaken variabiliteit in de vangsten:

  • Wezenlijke verschillen in visgemeenschap in tijd en ruimte (doelstelling om te kwantificeren)

  • Vangstefficiëntie die afhankelijk is van de toestand van het terrein (bv. meer kuilen = lagere vangstefficiëntie)

  • Persoonlijke verschillen te wijten aan techniek en algemene ervaring

  • Inzicht in het terrein (tijdelijke en locatiespecifieke ervaring)

  • Interacties van bovenstaande

 

Creative Commons-Licentie Bruneel, S., et. al. (2026). 10.21436/inbor.141733221