2 Doelstelling

In het najaar van 2016 startte de Vlaamse Milieu Maatschappij (VMM) met de uitvoering van rivierherstelmaatregelen in de Zwarte Beek te Lummen. De werken werden beëindigd in januari 2017. Om een evaluatie van dit beekherstelproject mogelijk te maken werd in de zomer van 2016 de toestand (zowel de biologische kwaliteitselementen alsook de fysische kenmerken van de beek) opgemeten voorafgaand aan de uitvoering van de rivierherstelmaatregelen (= T-1). In de zomer van 2019, ongeveer twee en een half jaar na uitvoering van de rivierherstelmaatregelen (= T+2), werden dezelfde metingen verricht volgens dezelfde methodiek om zo de evolutie van de verschillende parameters na te gaan. In de zomer van 2024, ongeveer zeven en een half jaar na uitvoering van de rivierherstelmaatregelen (= T+7), werd een derde veldcampagne ingepland. Dit rapport beschrijft de eventuele veranderingen in verschillende parameters ter evaluatie in het kader van de KRW. Ten eerste laat een vergelijking van habitatstructuren en fysische eigenschappen (zoals stroomsnelheid, dieptevariatie, substraatsamenstelling, etc.) voor en na de hydromorfologische herstelwerken toe om veranderingen in habitatdiversiteit waar te nemen. Een verandering in habitatdiversiteit resulteert hoogstwaarschijnlijk in een verandering in de biota. Door de bepaling van het visbestand kunnen mogelijke verschuivingen ten gevolge van een gewijzigde structuurkwaliteit waargenomen worden. Bovendien kan onderzocht worden of de populaties van rheofiele soorten zijn toegenomen. Ook verschuivingen in macrofyt- en macro-invertebraten gemeenschappen kunnen waargenomen worden door vergelijkingen tussen heringerichte trajecten en niet-ingerichte trajecten.

Tijdens de rivierherstelwerken werd ook de mogelijkheid tot vismigratie hersteld. Het is echter noodzakelijk om na te gaan of deze saneringswerken weldegelijk tot verschuivingen in het visbestand hebben geleid, met name stroomopwaartse verspreiding van soorten in de trajecten stroomopwaarts van de stuw Bervoets en de Gestelse molen en stroomafwaartse verspreiding naar de herstelde deelgebieden van Laren en Schurfert. Bijzondere aandacht kan daarbij uitgaan naar beekprik, die enkel opwaarts voorkomt en o.a. naar baars, bittervoorn, gestippelde alver, snoek en winde, die enkel stroomafwaarts voorkomen. Tenslotte kan er vanwege de rivierherstelwerken een verschil in habitatstructuren en fysische eigenschappen opgetreden zijn tussen de meanders die het volledige debiet voeren en de meanders waarbij piekafvoeren worden afgetopt m.b.v. een hoogwatergeul, een parallel aan de rivier gelegen geul die alleen bij hoge waterstanden meestroomt. De hypothese die hierbij vooropgesteld werd is dat in meanders waarbij piekafvoeren afgetopt worden bepaalde habitatkenmerken (verticale en holle oevers, riffles, …) zich minder snel of minder uitgesproken ontwikkelen. De bovenvermelde onderzoeksvragen kunnen vertaald worden naar meetdoelen. De specifieke meetdoelen in dit onderzoek zijn (1) het verbeteren van de habitatstructuren en fysische eigenschappen, met name het vergroten van de gemiddelde stroomsnelheid in de zomerperiode (juni-september), de substraatdiversiteit (realiseren van een meer diverse substraatmozaïek) en de dieptevariatie; (2) het verhogen van de ecologische kwaliteit door een toename in het aantal kenmerkende taxa (rheofiele vissoorten) en (3) het opheffen van de barrièrewerking van stuwen. De mitigerende maatregelen uitgevoerd ter hoogte van beide knelpunten worden gebruikt door alle in de Zwarte Beek voorkomende migrerende vissoorten en alle lengteklassen van deze vissoorten.

 

Creative Commons-Licentie Bruneel, S., et. al. (2026). 10.21436/inbor.141733221